Het einde van de Gemeentevorm Terug

“En zij hoorden een grote stem uit de hemel, kom herwaarts op”, Openbaring 11:12.

Om dit vers te kunnen begrijpen, moeten we naar Handelingen 10, waar Petrus een gezicht of visioen zag, namelijk: een groot linnen laken met al de viervoetige dieren der aarde. We weten uit de verdere geschiedenis, dat dit het beeld was van de Christelijke Gemeente die zich zou vormen omdat Israël verstek liet gaan. Zag Petrus dit alles letterlijk gebeuren? Daar lezen we niets van. Het werd hem alles verhaald. Trouwens: wat zou hij moeten zien? Wij moeten ons hier geen al te letterlijke verklaring aan geven. Wij moeten wel Schrift met Schrift vergelijken en dan kunnen we weten dat hier sprake is van het zich oplossen van de Gemeente na volbrachte taak.

Bij het stichten der Gemeente als lichaam van Christus, kwam het initiatief uit de hemel. Zo ook als de tijd om is en haar taak volbracht is. Dan komt ook weer het initiatief uit de hemel: “En het vat werd weer opgenomen in de hemel.” Nu, dit vinden we dan ook hier afgebeeld in bovengenoemde tekst: “En zij hoorden een grote stem uit de hemel, kom herwaarts op.” Goed verstaan dus: het gaat hier niet over mensen, maar over de vorm van de Kerk des Heeren. De Gemeentevorm van de Kerk des Heeren houdt dan op het werkterrein te zijn van de Heilige Geest, zoals de Geest met Pinksteren aan Gemeente gegeven was en toen ook weer van Israël terugtrok. Zo gaat ook nu de Geest met haar overblijfsel verder, wat dan eigenlijk door het aanvaarden van Israëls toekomst in haar belijden al Israël is geworden. De oude stam Israël waarop zij geplant zijn, is dan ook volkomen tot nieuw leven gekomen.

Het nieuwe leven van het Koninkrijk Gods was eenmaal al met de prediking van Johannes de Doper begonnen. Daar was uiteindelijk de Gemeente uit gegroeid, nadat Israël werd afgehouwen van de levende stam. Nu is het weer omgekeerd: de Gemeente die toen op de levende stam is ontstaan, vertoont nu hetzelfde ongeloof en dezelfde verharding als eens Israël. Dit blijkt overduidelijk in haar houding tegenover het nieuwe licht in de toekomst. Men kan niet loskomen van menselijke gedachten en tradities.

De prediking van het ophanden zijnde koninkrijk Gods heeft nog veel minder effect dan in de dagen van Johannes de Doper. Maar dit behoeft ons niet mismoedig te maken alsof het met onze prediking niet goed gesteld zou wezen. Het moet ons juist tot bevestiging dienen van de waarheid van Jezus’ woorden wat Hij eenmaal zei bij de gelijkenis die voor onze tijd bedoeld was en wat we lezen in Lukas 18:8: “Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde?” Daarin ligt opgesloten dat het geen grote massa zal wezen die deze prediking zal geloven.

(Blz. 257, Vliedt uit het Noorderland!)