| Het opstaan van de twee getuigen | Terug |
“En na drie dagen en een halve, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden”, Openbaring 11:11. De Gemeente wordt weer in haar eerste stand gesteld, weer volledig op de Schrift georiënteerd. De Gemeente wordt dan weer wat ze eerst was na de Pinkstergeest. Deze ‘geest des levens’ bestaat niet in allerlei geestvervoeringen of allerlei waandenkbeelden die we ons maken, maar zij is een weer geheel op de Schrift gaan staan. Alles wat door de eeuwen van afval heen de Gemeente is binnengedrongen, moet weer wijken. Dan gaat ook de Reformatie weer voor ons leven. Wij weten dat de Reformatie ons niet alles heeft teruggegeven wat we kwijt waren; we moeten nog verder naar de Schrift terug. Bedenk wel: uw ontvangen van de dingen in ongeloof doet aan de woorden van Gods werk niets af, wel uw deel daaraan. De man die dit schrijft, is vanwege deze dingen door de diepten gegaan. Hij heeft moeten leren om de Heere te volgen. Hij is door de Heere naast het dit dode lichaam - lijk - geplaatst, daaraan in liefde verbonden, Openbaring 11:9. Toen allerlei stemmen klonken om mij van die plaats af te halen, heeft ook alleen Zijn hand mij bewaard op die plaats. Wel is het gegaan door nood en dood, maar geloofd zij de Heere, Die redt van het verderf. Nu kan ik maar één ding doen en dat is naar de Schrift wijzen, want daarin ligt mijn weg en mijn woorden verklaard. Dat is het werk van de twee getuigen. Het opstaan van de twee getuigen zal niet zo’n omvang hebben als de Reformatie der 16e eeuw. Wel zal deze reformatie dieper ingrijpen. Het zal een zodanige reformatie zijn dat allen die er mee in aanraking komen, ook al gaan ze er niet in mee, toch wel enig respect hebben. Deze worden dan bevreesd. Zo lezen we dan ook: “En er is grote vrees gevallen op degenen die hen aanschouwden.” Dit zijn degenen die er buiten staan. Zij hadden op zoiets allerminst gerekend. (Blz. 254, Vliedt uit het Noorderland!) |