| De grote verdrukking | Terug |
We lezen daarvan in Matthéüs 24 en ook in Markus 13. Het is door de Heere Jezus zo genoemd. Velen stellen deze verdrukking in de eindtijd, als naar hun mening de antichrist zal gekomen zijn, maar we lezen in de Schrift, dat de antichrist er al lang is. Wij zien de kern van de antichrist in de Rooms-katholieke kerkmacht, zoals we bij de verklaring van de brief aan de gemeente van Thyatire hebben aangetoond. Zo zien we dan ook veelmeer de grote verdrukking als de tijd van Israëls verwerping tot haar wederaanneming toe, en dit dan als één geheel. Het is begonnen met de rampzalige verwoesting van Jeruzalem, waarbij meer dan 1 miljoen Joden zijn omgekomen. Maar deze verdrukking heeft zich door de eeuwen heen voortgezet, altijd maar weer, dan eens minder en dan weer meer, maar de verdrukking over dit volk ging door. Totdat de laatste machten der aarde zich zullen samenspannen tegen dit volk. “Alsdan, wanneer het zulk een tijd der benauwdheid wezen zal, als het niet geweest is sinds dat het weer tot een volk geworden is”, Daniël 12:1 in het Grieks, dan zal Michaël opstaan, die grote Vorst, om dat volk te verlossen. Zo spreken ook Matthëus en Markus, als zij Jezus’ woorden verhalen: “Terstond na de verdrukking.” Na de verdrukking komt de verheerlijking. De grens tussen de verdrukking en verheerlijking vinden we beschreven bij de opening van het zesde zegel, en voor de Gemeente des Heeren geldt het, dat zolang Israël in de verdrukking is, zolang kan ook voor de Gemeente de verheerlijking niet komen. Nu, waar geen verheerlijking is, is verdrukking. Daarom is het door de eeuwen heen ook voor de Gemeente een aanhoudende of grote verdrukking geweest, en zal het dit ook blijven totdat de Heere hier zelf een einde aan maakt, wat we naar de tekenen der tijden spoedig kunnen verwachten. Door het vuur zullen de verdrukkers verbrand worden. |