Voorwoord Terug

Daar ik niet meer van mijzelf ben, maar het eigendom van Jezus Christus, moet ik ook te allen tijde Zijn dienaar zijn. Daarom is het juist ook alleen dat we tot dit werk bekwaam zijn, namelijk om profetische geschriften te verklaren. Reeds in 1943 heeft Hij krachtig tot mij gesproken: “Ziet Ik heb u tot een scherpe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft”, Jesaja 41:15. Alles richtte zich in mijn leven er op om grondige kennis van de Schrift te maken. Hiertoe vond ik dan ook gelegenheid.

Alles te verhalen, is niet het doel van dit voorwoord. Maar dit wil ik ermee zeggen: alles wat u in dit boek vindt en wat overeenkomt met Gods Woord - en dus ook voor u iets van de profetische geheimen onthult - dat is alleen door de Geest ontvangen.

Daarom ook: Gode alleen de eer. En zo er iets in dit boek mocht staan wat niet overeenstemt met de Heilige Schrift, dan is dat door mijn onkunde en menselijke feilbaarheid. De hoofdzaken in dit boek heb ik van God ontvangen en zo geef ik die ook door. Dit moet u te allen tijde bedenken, dat het initiatief van dit alles niet van mij is uitgegaan. Gaat de Kerk hier dus niet op in, dan zal zij in het oordeel over Babylon moeten delen. Dan blijf ik toch tot het overblijfsel roepen. Ik kan niet anders, want ik ben in dezen een gevangen man.